zaterdag 8 november 2014

Sluiers

Kramen volgepakt met kleurrijke stoffen, geurende kruiden, kamelen, ezels, schapen, schreeuwende marktkramers: marktdag in Timboektoe. Door het opgewaaide rode woestijnstof hult het hele tafereel zich in een rozig waas. De grote moskee domineert de ene helft van het zon geblakerde plein met haar organisch gevormde adobemuren en haar torens doorpriemd met boomstammen.
Aan de overkant van het plein, onder de gestreepte luifel van een terras, zit een bebaarde westerling met de indigoblauwe tulband van de Toeareg. Alhoewel zijn koffiekopje bijna leeg is, maakt hij toch geen aanstalten om te vertrekken. Terwijl hij wacht, overdenkt hij de drie maanden die hij hier heeft gewerkt voor Artsen Zonder Grenzen. De eerste weken brachten hem van zijn stuk, overrompelden hem met de kracht van een vuistslag: Timboektoe, kruispunt van oude karavaanroutes, stoffig, gloeiend heet, smeltkroes. Nu, na drie maanden, groeit deze fascinerende plaats stilaan uit tot zijn thuis. Hij heeft vrienden gemaakt en nu doet een van die nieuwe vrienden beroep op hem. Hij leest de brief nog eens door, die hij vanmorgen ongefrankeerd in zijn brievenbus heeft gevonden.

Geachte vriend van Tina,
U kent me niet maar Tina spreekt zo dikwijls over uw engagement en medeleven, dat ik hoop dat u me kan en wil helpen.
Het is een lang verhaal dat twintig jaar geleden begon, toen zuster Clementina en ik als missiezusters naar hier kwamen om in het hospitaal van de missie te werken. Op een dag, een jaar of twee later, verzorgden we een jonge Malinese vrouw, die enkele maanden in het ziekenhuis heeft gelegen. Haar broer Sénou, kwam dagelijks op bezoek. We praatten heel wat af aan het ziekbed van Coura, zodat Sénou en ik een nauwe band smeedden. Hij was een vriendelijke, zachtaardige man die ik hoe langer hoe meer leerde waarderen tot ik op een dag besefte dat ik zoveel van hem hield, dat ik moest uittreden. Dat was geen gemakkelijke keuze, want als je kloosterlinge wordt, is dat een verbintenis voor het leven en die verbreek je niet zomaar omdat je verliefd wordt. Bovendien was en is Sénou een moslim, maar hij deed niet moeilijk en was niet fanatiek in zijn geloof.
Uiteindelijk trouwde ik met hem en na een jaar werd onze prachtige dochter, Isabelle, geboren. De eerste jaren van ons huwelijk waren als een sprookje voor mij, maar na de moeilijke geboorte van Isabelle kon ik geen kinderen meer krijgen en Sénou wou ook graag een zoon. Stilaan groeide er een afstand tussen ons. Mijn man kwam hoe langer hoe meer onder de invloed van radicale vrienden en hij zette mij onder druk om ook moslim te worden. Uiteindelijk bekeerde ik me met de illusie dat alles dan weer goed zou komen. Maar het kwam niet goed en ik ging meer en meer gesluierd door het leven. Sénou trouwde op aanraden van zijn vrienden met een tweede, een derde, een vierde vrouw in de hoop op een zoon. Alles slikte ik omdat ik nog altijd dol was op mijn man. Maar nu is de maat vol: het lijkt of ik niet meer voor hem besta, maar hij controleert alles wat ik doe. Ik loop de hele tijd gesluierd rond en ik mag alleen op straat als er een mannelijk familielid bij me is. En nu wil hij Isabelle op haar zeventiende uithuwelijken aan één van zijn vrienden. Ik wil met Isabelle naar Europa vluchten omdat ik haar een liefdeloos huwelijk met een oude man wil besparen.
Ik ben ten einde raad want mijn reispas is al lang niet meer geldig en Isabelle is nooit buiten Mali geweest. Mijn familie heeft met me gebroken toen ik met Sénou trouwde. Ik weet niet hoe ik het vliegtuig moet betalen. Er zijn duizend-en-een obstakels op mijn weg naar Europa, maar het MOET op een of andere manier lukken, voor het geluk van mijn kind.
Uw toegenegen Fatima (zuster Constance)

Van tussen het gewoel bemerkt hij de grijze sluier van zuster Clementina. Hij bestelt nog een koffie voor zichzelf en een muntthee voor de zuster.
Dag, Paul. Blij dat ik even met je kan praten” begroet ze hem. Tina gaat zitten, nipt voorzichtig aan de gloeiend hete thee.
Ik ben helemaal niet blij, Tina” zegt Paul, “weet jij iets over de brief die ik vanmorgen in de bus heb gevonden? Een brief van Fatima”
Nee, Paul, ik wist niet dat ze jou een brief zou schrijven. Ik heb haar over jou verteld, over het goede werk dat je al hebt gedaan, over je engagement om de mensen hier te helpen, over je medeleven. Je hebt het ziekenhuis op die korte tijd zo kordaat in handen genomen. Ik bewonder je organisatietalent, Paul.”
Dat kan wel zijn, Tina, maar door jouw verhalen aan Fatima, heb je mij in een moeilijk parket gebracht. Ze denkt dat ik zomaar even al die obstakels kan wegwerken. Ik ben hier amper drie maanden geleden aangekomen en begin nu pas echt te functioneren.”
Maar, Paul, ze lijdt hier echt onder. Ze is tot alles in staat om Isabelle hier vandaan te krijgen” probeert ze hem te overhalen.
Ik zie dit echt niet zitten, Tina. Ik ben geen ridder op een wit paard die op commando gesluierde ex-missiezusters komt redden. Ik ben hier om als dokter mijn werk te doen: mensen genezen en het ziekenhuis leiden. Daar heb ik werk genoeg mee”
Toe nu, Paul, ik ken niemand beter dan jij om dit tot een goed einde te brengen.” Ze dept haar ogen met een papieren zakdoekje. “Constance is mijn beste vriendin, ik wil haar helpen, maar ik kan dit niet alleen. Toe, nu Paul, help me om haar terug naar Europa te laten gaan” smeekt ze hem, haar ogen versluierd door nieuwe tranen.
En als er iets is waartegen Paul geen verhaal heeft: vrouwentranen!
Goed dan” geeft hij toe. “Ik help je.”
Paul, je bent een schat.” Dankbaar neemt Tina zijn handen in de hare en drukt er vlug een kus op. Haar ogen stralen als ze afscheid neemt.
Paul bestelt nog een koffie, ziet het grijs gesluierde hoofd van Tina in de drukte verdwijnen en heeft al spijt van zijn belofte. Waarom moet uitgerekend hij hier de held gaan uithangen?
Enkele weken later, ver na middernacht, wacht hij naast zijn zwarte terreinwagen op de vluchtelingen. Het is een inktzwarte maanloze nacht. Miljoenen sterren twinkelen rond de oplichtende sluier van de Melkweg.
Plots staan ze naast hem, twee mummieachtige figuren, onherkenbaar onder de zwarte sluiers die hun vlucht moeten verbergen.
Bagage?” vraagt hij. Ze stoppen hem twee kleine tassen in de handen en verdwijnen als bange muisjes op de achterbank van de auto. Tijdens de rit naar de ambassade zitten de twee vrouwen stilletjes bij mekaar, nog altijd gesluierd, alsof ze het niet vertrouwen.
De poort van de ambassade opent automatisch. Felle lampen flitsen aan en de vrouw van de ambassadeur komt persoonlijk naar hen toe op het bordes. Dan pas durven Constance en Isabelle hun sluiers losmaken. Paul kan zijn ogen niet geloven als Constance zich naar hem toe wendt en hij Stanske, het buurmeisje uit zijn jeugd herkent in het getaande, gerimpelde gezicht dat hem dankbaar aankijkt.
De volgende dag zit hij weer met zijn koffie op het terras op het plein en mijmert over de dolle sprongen die het lot soms maakt.
In de strakblauwe lucht trekt een vliegtuig een sluier van condens. Hij heft het kopje koffie in een stille groet. Het ga je goed Stanske. Blij dat ik je kon helpen.

dinsdag 7 oktober 2014

De parabel van de monnik en de dieren

Resultaat van de eerste echte opdracht:

Er was eens, in het verre China, een monnik die jarenlang in een pikdonkere grot, diep binnenin een berg mediteerde. Honderd en acht keer prevelde hij de mantra 'Gaya reya, gaya reya, gaya reya', tot hij mettertijd voeling kreeg met het innerlijk van de berg, maar ook met alles dat door de berg in leven werd gehouden: de planten, de dieren, het water, de mineralen. Na al die jaren van meditatie kende hij de berg en sprak hij ermee.
Op een dag voelde hij dat het tijd was om te gaan, terug naar het licht, terug naar de mensen. De berg had hem een taak toegewezen die hij eerst moest volbrengen voor hij zijn plaats in het klooster weer kon innemen. Het zou geen gemakkelijke tocht worden, wist hij.
Verrassend soepel, na al die jaren, strekte hij zijn oude benen, zijn armen, zijn rug. Hij rechtte de schouders en stapte doelbewust naar de uitgang, naar het licht, naar buiten. Daar scheen de volle maan door de bomen, zodat hij niet verblind werd na zo'n lang verblijf in de duisternis. Zittend op een boomstronk genoot hij van de nachtelijke koelte en van de met bosgeuren doordrongen bries.
Weldra vielen de eerste zonnestralen in vlekken op de versleten oranje vodden die zijn lijf enigszins bedekten.
Plots hoorde hij geritsel onder het bosje varens naast hem, waar een kopje van een hagedis schichtig onderuit piepte. Hij kende het dier. Tijdens zijn verblijf in de grot had hij het weten geboren worden, hij had ermee van gedachten gewisseld, toen het opgroeide. Hij wist dat de hagedis doodongelukkig was en jaloers op al wie bovenop de berg leefde. De hagedis wou immers blakeren in de zon, zijn bloed doen opwarmen zodat hij genoeg energie zou krijgen om als een bliksemschicht over en weer te schieten. Alleen dan kon hij genoeg insecten te pakken krijgen om te overleven. In het bos kreeg de hagedis niet genoeg zon, zodat hij bijna verhongerde.
De monnik nam de hagedis voorzichtig van onder de varens en stopte hem in zijn ransel. Daarna begon hij aan een moeizame tocht naar de top van de berg: eerst door ruisende bamboebossen, later tussen de hoogstammige, donkere pijnbomen. Het pad was moeilijk begaanbaar, maar de monnik genoot van de zingende vogels, de weelderige plantengroei, het geklater van bergbeekjes. Zijn voeten bloedden door de scherpe rotsen op het pad, maar hij merkte het niet. Zijn mantra 'Gaya reya, gaya reya, gaya reya' trilde door zijn lijf en maakte het gevoelloos,
Dicht bij de top van de berg, voorbij het lage struikgewas, voorbij de grazige bergweiden, ging hij zitten. Hij haalde de hagedis uit zijn ransel en zette hem voorzichtig op een rotsblok in de hete middagzon. De monnik vergleed weer in meditatie zodat hij met de hagedis van gedachten kon wisselen. Te warm, te veel licht. De hagedis werd niet gelukkiger. Dus stopte de monnik hem weer in de ransel.
Plots piepte het kopje van een marmot uit een opening tussen de rotsen. Ha, dacht de monnik, die is ook niet gelukkig. Ook de marmot kende hij van bij zijn geboorte. Met zijn dikke pels kon hij de winterkou goed verdragen, maar de zon was hem veel te heet. Bovendien kon hij zijn knaagtanden niet in lekker sappige wortels en takjes zetten. Hier, boven op de berg, groeiden alleen wat taaie, droge plantjes tussen de rotsen, zodat hij bijna stierf van de honger.
De marmot kwam bedeesd naar de monnik toe die hem voorzichtig vastnam en hem op zijn beurt in de ransel stopte, waarna hij de tocht naar beneden aanvatte.
Telkens als hij een plekje vond waar de hagedis en de marmot zich gelukkig zouden kunnen voelen, haalde hij hen uit de ransel. Niets was er goed genoeg voor hen. En daar bleef het niet bij. Voor de monnik halverwege was, kwamen overal dieren vandaan, die zich niet goed voelden op de berg. Ze zeurden en ze morden en waren met niets tevreden. Met de moed der wanhoop scandeerde hij de mantra 'Gaya reya, gaya reya, gaya reya' in de hoop een oplossing te vinden voor zijn probleem.
De monnik wist al in het begin van zijn tocht dat hij voor een moeilijke taak stond, maar hij kon toen niet vermoeden dat hij zoveel dieren achter zich aan zou krijgen. Wat moest hij met die meute aanvangen?
Onderaan de berg gekomen, passeerde hij de grot die hem zo lang beschutting had geboden. Ik ga nog even naar binnen, dacht hij en hoopte daarmee een oplossing te vinden. Hij zat weer op zijn vertrouwde plekje in het donker en vroeg aan de berg waarom al die dieren zo graag weg wilden. Waarom ze toch zo ongelukkig waren. En de berg fluisterde hem in dat al die mopperpotten zijn rust verstoorden. Hij wist niet wat er met de dieren aan de hand was, maar jaloezie en onvrede verspreidden zich als een lopend vuurtje en hij, de berg, wilde hen niet meer. Neem ze maar mee, die onruststokers, zodat ik van ze verlost ben. 'Gaya reya, gaya reya, gaya reya' mompelde de monnik honderd en acht keer en toen kwam de ingeving.
Eenmaal weer uit de grot overzag de monnik de honderden wachtende dieren en zuchtte bij de gedachte dat hij op pad moest met al die ontevreden beesten. Hij wou echter zijn taak tot een goed einde brengen zodat hij hen uitnodigde om hem te volgen.
Niet ver bij de berg vandaan lag het klooster dat hij zoveel jaren geleden vaarwel had gezegd. Hij bewonderde de prachtige tuin die door de monniken met veel liefde en respect voor de natuur werd verzorgd. Genietend wandelde hij rustig tussen de kunstig gesnoeide bomen naar de inkompoort. Achter zich hoorde hij de dieren die vol bewondering de tuin betraden, die stil werden van de betoverende schoonheid en de rust die de tuin uitademde.
IJl klonken de belletjes doorheen het klooster en plots werd het heel druk.
Alle monniken liepen naar hem toe. 'Leef je nog? Wat breng je daar mee? Wat moeten we hier doen met al die dieren?' hoorde hij hen vragen.
'Al die dieren voelden zich ongelukkig op de berg waar ik mediteerde. Ik stel voor dat ze hier bij de tempel blijven en dat we ze met z'n allen verzorgen en hen helpen om gelukkig te worden' De monniken begonnen de uitgeputte, half verhongerde dieren te verzorgen en al heel vlug vonden ze hun plaatsje in de bijzondere tuin.
Het verhaal van de ongewone dierentuin deed wijd en zijd de ronde en al gauw kwamen de pelgrims van heinde en verre naar het klooster, waar mens en dier nog lang en gelukkig samenleefden.

woensdag 17 september 2014

Miao


De Miao is een bergvolk, een etnische minderheid in het grote China.  Ze wonen in het zuidwesten van het immense land.  Mao Tse Dong had een zwak voor de minderheden, waardoor er nog veel elementen van hun cultuur zijn bewaard.  Hun dorpen liggen lieflijk verspreid tussen steile, maar vruchtbare hellingen.  Het klimaat is mild in die streken, waardoor de rijst goed gedijt op de eindeloze terrassen die tegen de bergwanden aan liggen.

Veel blanken hebben de bewoners nog niet ontmoet en de meesten zijn dan ook vriendelijk, maar een beetje schuw.  Ze wijden zich, grotendeels op straat, aan hun dagelijkse taken en lijken niet geïnteresseerd in een fotograferende westerling.  Je voelt echter de nieuwsgierigheid in je rug steken zodra je bent gepasseerd.  Ik denk dat ons bezoek nog dagenlang brandende actualiteit is geweest.

Deze dorpen zijn nog vastgeroest in het oude China van voor de opstanden en revoluties in de negentiende en twintigste eeuw.  Die zijn hier voorbij geraasd maar hebben niets fundamenteels veranderd.  De huizen worden nog altijd opgetrokken in hout, verankerd met zwaluwstaart  verbindingen en houten pennen.  De opbrengst van de laatste oogst is op straat uitgespreid om te drogen.  Dat maakt het gemakkelijker om de voedzame korrels eruit te dorsen.  Dikke, vetgemeste varkens rollebollen in de modder naast het huis en wachten erop om te worden geslacht.  Hier geen ronkende motoren van een eindeloze stroom auto's en vrachtwagens zoals in de grote steden.  Kinderen kunnen hier op straat spelen onder het toeziend oog van hun familie.  De rivier is nog altijd de openbare wasplaats, waar de meisjes en vrouwen tijdens het werk met mekaar kunnen kletsen.

Op het grote plein in het midden van het dorp staat een houten
standbeeld -een paal versierd met buffelhoorns- het symbool van hun verwantschap.  De buffelhoorns komen ook terug op de feestelijke hoofddeksels van de vrouwen.  De rijkelijk versierde zilveren kronen vormen samen met de korte zijden jasjes en de gestreepte plissé rokjes de traditionele klederdracht van deze volksstam, die ongeschonden, diep in het verre China zijn rustige leven leidt.

donderdag 11 september 2014

11 september

Een datum die je niet zomaar vergeet.  Iedereen heeft zo zijn herinneringen aan zo'n datum.  Als ik diep in mijn geheugen graaf dan weet ik eigenaardig genoeg meer over de aardbeving in Agadir in 1960 dan over de moord op Kennedy in 1963.  De meeste mensen weten je nog te vertellen wat ze deden toen ze het bericht van de moord hoorden, terwijl niemand nog denkt aan die aardbeving die 15000 slachtoffers telde en waar de hele stad met bulldozers met de grond werd gelijkgemaakt.  Het zegt iets over prioriteiten.

Elf september was ook voor mij niet zo'n gewone dag, omdat ik vakantie had genomen om een concert in de kerk, de dag erna, voor te bereiden.
Ik zat aan de computer om prijslijsten voor drankjes en  wegwijzers te ontwerpen en af te drukken.  De radio stond zoals gewoonlijk op radio 2 afgestemd, gezellige muziekjes, een babbeltje af en toe; de perfecte achtergrond om op het klavier te tokkelen.
Kwart voor drie in de namiddag - ik drukte net de eerste papieren af - hoorde ik het nieuws, maar kon het niet bevatten.  'Welke idioot vliegt nu tegen zo'n toren? dacht ik, in de veronderstelling dat het om een sportvliegtuigje ging.  'Die moet zijn vliegbrevet een keer hernieuwen'  Ik geloofde mijn oren al helemaal niet toen ik hoorde dat het om een lijnvliegtuig ging.  'Die piloot zal wel te veel gedronken hebben' ging er door me heen.

Ik wijdde me verder aan mijn taken onderwijl vrolijk meezingend met de radio.  Geen vuiltje aan de lucht, ver van mijn bed...
Tot het twintig minuten later weer raak was.  Toen werd het toch echt wel bizar, maar ik was niet bezig met terrorisme, want de dag erna was er dat concert.  Het drong gewoon niet door.

En dan, als een mokerslag, besefte ik dat er iets heel groots en duisters gebeurde aan de andere kant van de wereld.  Ik holde als de bliksem de trap af en zette zonder commentaar de televisie op CNN. 
Als een konijn naar een slang staarde ik naar het scherm en besefte eindelijk de gruwel die daar gaande was.  Nooit eerder zat de wereld dichter bij zo'n massale ramp, want je zag de torens  ineenzakken, je zag de chaos, de paniek en alles in real time.  Hallucinant!

Ja, 11 september, leeft zeker nog in mijn herinnering.  Die apocalyptische beelden vergeet je nooit.



woensdag 10 september 2014

Trein twee (nieuwe versie)

Meer dan vijfentwintig jaar lang pendelde ik dagelijks met de trein naar Brussel en dat was heel dikwijls een echt avontuur.  Jarenlang ging het goed, af en toe eens een staking, af en toe eens een 'persoonlijk ongeval' (eufemisme voor iemand die het leven niet meer zag zitten en dus op het verkeerde spoor ging zitten) maar al bij al heel betrouwbaar.  Heen en weer in zo'n minuut of vijfenveertig.

En toen liep het mis.  Een of andere nieuwe topman wou zijn stempel drukken op de goed geoliede machine en dat is de trein nooit meer te boven gekomen. 

Een korte anekdote ter illustratie.
Een gewone ochtend in dat rampzalige treinjaar.  Ik word wakker gewekkerd om zes uur, zodat ik om acht uur kan inpunten op het werk.  Alles loopt vlotjes en zelfs de trein vertrekt op tijd.  En dan begint het avontuur.

Het is winter en ijskoud, maar de trein is lekker warm.  Ik verdiep me zoals gewoonlijk in een boek en kijk niet op of om, maar er klopt iets niet.
Jarenlang reizen op hetzelfde traject geeft je een soort ingebouwde klok mee: 'Het geluid van het ondergrondse station in Mortsel', 'De tweelingbrug bij Duffel', 'Het station Van Mechelen'  Zonder opkijken voel je waar je bent, hoor je waar de trein voorbijrijdt.

Die ochtend klopt er iets niet.  Ik kijk uit het raam en zie ... Antwerpen Noord.  Stilte in de luidsprekers.  'Ben ik op de verkeerde trein gestapt?  Ben ik op weg naar Roosendaal?'
De trein stopt met knarsende remmen, het licht gaat uit.  De luidsprekers zwijgen.  Na tien minuten malende gedachten en vragende ogen naar de medereizigers 'Wat is hier aan de hand?  Zijn we gekaapt?'  Eindelijk gekraak in de luidsprekers 'Geachte reizigers, de trein is op het verkeerde spoor terecht gekomen.  We kunnen pas weer vertrekken richting Brussel (toch de juiste trein!) als we toelating krijgen van het seinhuis.  Gelieve ons te verontschuldigen voor de opgelopen vertraging'
Zo is mijn trein naar Brussel op het rangeerstation Noord terechtgekomen: richting Nederland dus.  Rangeerstation Noord is nu het alom geroemde Park Spoor Noord.  Ik vermoed dat ze de sporen daar hebben verwijderd om de treinen naar Brussel op het juiste spoor te houden.

Ondertussen is het bijna tijd om op het werk in te punten en de trein staat nog altijd in Antwerpen Noord.  En het wordt kouder en kouder, want samen met het licht is ook de verwarming uitgevallen.
Eindelijk, rond negen uur,  floept het licht weer aan, begint de verwarming weer te draaien en komt de trein in beweging, traag maar zeker.  Traag, want het duurt bijna een half uur voor de trein het station Antwerpen Oost passeert om dan eindelijk in Berchem het spoor naar Brussel weer te vinden.

Aan het einde van de rit, om elf uur, vraagt de stem in de luidspreker nogmaals of we haar willen verontschuldigen.  Een waarom ook niet?  De trein is altijd een beetje reizen en onvoorziene omstandigheden horen daarbij.



maandag 8 september 2014

Trein

Meer dan vijfentwintig jaar lang pendelde ik dagelijks met de trein naar Brussel en dat was heel dikwijls een echt avontuur.  Jarenlang ging het goed, af en toe eens een staking, af en toe eens een 'persoonlijk ongeval' (eufemisme voor iemand die het leven niet meer zag zitten en dus op het verkeerde spoor ging zitten) maar al bij al heel betrouwbaar.  Heen en weer in zo'n minuut of vijfenveertig.

En toen liep het mis.  Een of andere nieuwe topman wou zijn stempel drukken op de goed geoliede machine en dat is de trein nooit meer te boven gekomen.  Heel het tijdschema werd overhoop gehaald waardoor zelfs de machinisten niet meer wisten waarheen ze reden.  Zo is mijn trein naar Brussel ooit eens op het rangeerstation Noord terechtgekomen: richting Nederland dus.  Rangeerstation Noord is nu het alom geroemde Park Spoor Noord.  Ik vermoed dat ze de sporen daar hebben verwijderd om de treinen naar Brussel op het juiste spoor te houden.

Een gewone ochtend in dat rampzalige treinjaar.  Je wordt wakker gewekkerd om zes uur, zodat je om acht uur kan inpunten op het werk.  Alles loopt vlotjes en zelfs de trein vertrekt op tijd.  En dan begint het avontuur.

Het is winter en ijskoud, maar de trein is lekker warm.  Ik verdiep me zoals gewoonlijk in een boek en kijk niet op of om, maar er klopt iets niet.
Jarenlang reizen op hetzelfde traject geeft je een soort ingebouwde klok mee: 'Het geluid van het ondergrondse station in Mortsel', 'De tweelingbrug bij Duffel', 'Het station Van Mechelen'  Zonder opkijken voel je waar je bent, hoor je waar de trein voorbijrijdt.

Die ochtend klopt er iets niet.  Ik kijk uit het raam en zie ... Antwerpen Noord.  Stilte in de luidsprekers.  'Ben ik op de verkeerde trein gestapt?  Ben ik op weg naar Roosendaal?'
De trein stopt met knarsende remmen, het licht gaat uit.  De luidsprekers zwijgen.  Na tien minuten malende gedachten en vragende ogen naar de medereizigers 'Wat is hier aan de hand?  Zijn we gekaapt?'  eindelijk gekraak in de luidsprekers 'Geachte reizigers, de trein is op het verkeerde spoor terecht gekomen.  We kunnen pas weer vertrekken richting Brussel (toch de juiste trein!) als we toelating krijgen van het seinhuis. Gelieve ons te verontschuldigen voor de opgelopen vertraging'
Ondertussen is het bijna tijd om op het werk in te punten en de trein staat nog altijd in Antwerpen Noord.  En het wordt kouder en kouder, want samen met het licht is ook de verwarming uitgevallen.
Eindelijk, rond negen uur,  floept het licht weer aan, begint de verwarming weer te draaien en komt de trein in beweging, traag maar zeker.  Traag, want het duurt bijna een half uur voor ik het station Antwerpen Oost zie passeren en dan eindelijk Berchem.

Aan het einde van de rit, om elf uur, vraagt de stem in de luidspreker nogmaals of we hem willen verontschuldigen.  Een waarom ook niet?  De trein is altijd een beetje reizen en onvoorziene omstandigheden horen daarbij.



zaterdag 6 september 2014

De eerste stap

Het is zover!  Ik ben toegelaten op de schrijfschool, cursus 'Literaire creatie' in de academie van Borgerhout.

Dit heb ik al heel lang gewild: schrijven voor lezers.  Ik heb altijd voor mezelf geschreven: vooral dagboeken en reisjournaals, maar nu heb ik de tijd om er iets meer uit te halen.  De ideeën borrelen al een tijdje, maar het kwam er nooit van.

Op mijn zevende -ik kon net een pen vasthouden- schreef ik ooit een gedichtje dat in al zijn kinderlijke eenvoud begon met 'Aan 't tafeltje, aan 't tafeltje, ieder krijgt een wafeltje...'  Vraag me niet wat er vervolgens gebeurde, want dat is gelukkig ver weggemoffeld in de grijze stof.

Mijn volgende, ietwat meer uitgewerkte schrijfsels waren de zielenroerselen van een vijftienjarige.  Als ik dat allemaal nog eens lees (ja ik heb die dagboeken nog) dan heb ik meer inzicht in het leitmotiv van mijn leven.  Mogelijk schrijf ik wel eens wat colums over het leven in de boeiende sixties en seventies van de vorige eeuw.  Het was een supertijd en zeker voor een hippie (vrij en ongebonden) zoals ik.

Elk jaar een avontuurlijke reis gaf me telkens weer nieuwe schrijfinspiratie.  In de tent, bij het licht van de zaklamp, in de kale kamer van een hostel, in de wachtruimtes van vliegvelden en stations, overal schreef ik over wat me opviel, welke avonturen ik beleefde, over de mensen die ik ontmoette.  Die verhalen wil ik een nieuw elan, een vleugje literatuur meegeven, zodat een lezer met me kan meereizen en de wereld kan zien vanuit mijn standpunt.

Ergens op mijn weg mondde een uitgelopen discussie over familiegeheimen uit in jarenlange opzoekingen in archieven naar mijn voorouders.  Minstens één leven springt eruit als geen ander: de overgrootmoeder die heel de discussie in de familie op gang bracht.  Zij leefde in de negentiende eeuw en ze is voor mij het voorbeeld van een geëmancipeerde vrouw.  Dat verdient toch een boek!