zondag 24 mei 2015

Tijd

 Wijsheid van de Dalai Lama
 
There are only two days in the year that nothing can be done. One is called yesterday and the other is called tomorrow, so today is the right day to love, believe, do and mostly live.”

Deze uitspraak doet me denken aan de hype die 'Mindfulness' heet. Deze in wezen boeddhistische meditatietechniek is een aandachtstraining. Opgefokte, opgebrande westerlingen gaan en masse in het heden leven, zich niets meer aantrekken van het verleden, niet meer piekeren over de toekomst. Ze zitten braaf op hun meditatiematje en doen hun uiterste best om de tijd te vergeten waardoor ze nog meer stress opbouwen dan ze al hadden. Zeg nu, welke rond rennende, aan tijd verslaafde westerling kan zomaar wat tijd gaan verdoen aan het doen verdwijnen van de tijd? Dat is toch een illusie.

Onze maatschappij is letterlijk aan tijd verslaafd.
De wekker is de eerste die je bewustzijn met tijd confronteert. Voordien lag je in een tijdloze droom als plots die schelle bel je naar de tijd terugroept.
De klok krijgt greep op je als je half wakker op een drafje de badkamer hindernis neemt. Tijd voor ontbijt blijft er niet want de kinderen moeten op tijd op school zijn. Ook zij worden afgejakkerd want jij als ouder wordt veroordeeld als ze de eerste minuten van de les missen. Hoe staan we niet te trappelen van ongeduld als de trein, tram of bus niet op het aangekondigde uur komt aanrijden. Hoe ergerlijk als de door GPS aangestuurde borden zwart blijven, waardoor we de trage gang van de bus door de ochtendspits niet minuut per minuut kunnen volgen.
We putten onszelf uit in onze pogingen om de klok te slim af te zijn door een leven van achtenveertig uur in een klok van vierentwintig uur te stoppen.
Op het werk aangekomen, op tijd natuurlijk, hossen we heen en weer tussen vergaderingen en deadlines (het woord alleen al) Zou je echt dood gaan als je niet op tijd met je project over de eindmeet holt?

Het is toch compleet geschift, en dat bedoel ik letterlijk, dat mensen die in zo'n maatschappij moeten leven gaan leren hoe ze de tijd kunnen vergeten op hun meditatiematje.

donderdag 30 april 2015

Zingende duinen

Ik, als westerse reiziger, wil ontsnappen aan de eeuwige ratrace en de betonnen muren om me heen als ik een land als Mongolië bezoek. Hoever moet je gaan om onze beschaving te ontvluchten?

Ulaanbaatar, komt net tot leven als het internationale gezelschap waarmee ik naar de Gobiwoestijn afreis, met slaapogen uit het hotel aan het eind van de wereld druppelt. Minnie Ho uit Hong Kong staat fanatiek op haar GSM te tokkelen terwijl wij de bagage naar buiten brengen. We reizen in een bizar grijs busje van oerdegelijke Russische makelij, hoog op de wielen, zes zitplaatsen en een kleine bagageruimte; de jerrycans met water en benzine, de tenten en al het kampeergerei moeten op het dak. Het duurt even voor alle passagiers, tolk en chauffeurs hun plaats hebben gevonden. Frisse slierten ochtendnevel zijn de voorbode van een bloedhete dag.

Eindelijk is het zover. Op weg naar de Gobi, waar Marco Polo zijn middeleeuwse avonturen beleefde, waar de zijdehandelaars doorheen trokken om het gulzige antieke Rome van luxe stoffen te voorzien, waar Dzjengis Khan en zijn horden heersten. Ik heb iets met woestijnen en de Gobi spreekt het meest tot mijn verbeelding.

Aan de rand van de stad gaat het asfalt onherroepelijk over in zand. De Mongoolse chauffeur oriënteert zich feilloos in een eindeloze vlakte die ons naar de prehistorie katapulteert. Dieren, veel dieren, de meeste ongetemd, kleine, vinnige paarden, schapen, geiten, kamelen, jaks migreren gestaag, niet beperkt door omheiningen. Dit is een land zonder grenzen, groots onder het helblauwe Gewelf, dat de Mongolen als een van hun goden beschouwen. Geen enkele moderne dissonant onderbreekt het landschap: geen gebouwen, geen telefoon- of elektriciteitspalen, geen wegen of wat ook waar de mens de hand in gehad heeft.

Tegen de middag steekt een stevige wind op. Zand dat hier nog half bedekt wordt door het gras, stuift op in mini tornado's, die een venijnige aanval uitvoeren op mijn ogen, mijn neus, mijn mond. In open lucht eten is onmogelijk. We stoppen bij een tent, de tolk stapt uit en praat met een vrouw. Even later kunnen we binnen eten. In deze barre contreien gebiedt de gastvrijheid dat een reiziger te allen tijde onderdak kan vragen en krijgen. Een tolk is echt geen overbodige luxe, want de nomaden kennen alleen Mongools. Stel je even voor dat in België een bus Japanse toeristen voor je deur stopt, aanbelt en vraagt om te mogen lunchen. Ik voel me ongemakkelijk terwijl wij ons installeren op de brede, comfortabele bedbanken en de familie plaats maakt voor ons gezelschap. De steunpalen en het meubilair zijn traditioneel oranje gekleurd ter ere van de Zon. Minnie Ho tikt op de toetsen van haar GSM en is hoogst verbaasd als het ding niet tot leven komt. Wanneer we opstappen geven we onze overgebleven boterhammen aan de vriendelijke familie. Wellicht zullen ze maandenlang over ons bezoek vertellen aan hun familie en vrienden.

Naarmate we verder naar het zuiden rijden, maakt de steppe plaats voor de echte woestijn. De meertjes worden kleiner en minder talrijk. Het is laat in de lente en er is na het afsmelten van de sneeuw, nog vocht genoeg in de bodem om heel de woestijn te bedekken met een orgie van bloemen, een korte periode van fertiliteit in een, voor de rest van het jaar, onvruchtbaar land. Zo ver het oog reikt is de woestijn paars gekleurd door de kleine inheemse versie van de iris.

Tegen zonsondergang bereiken we de kampplaats. Gelukkig hebben we iglotenten bij die zich bijna automatisch opzetten. In het halfduister bereiden we een maaltijd die de eerstvolgende dagen niet veel variatie zal vertonen, hooguit een andere combinatie van schapenvlees, wortelen, uien en aardappelen. Wat een contrast met de oneindige variatie in onze supermarkten.
Ik ervaar aan den lijve het eentonige leven van de Mongool. Ze drinken airag, gefermenteerde en dus alcoholische paardenmelk, en wodka die hen helpen om de verveling en het keiharde bestaan te vergeten. Tussen ijzige poolwinden in de winter en vuurhete zandstormen in de zomer balanceert hun nomadenbestaan. Ik ervaar alleen de onweerstaanbare aantrekkingskracht van dit machtige natuurland.

Nog even plassen voor ik de tent induik. In het duister ben ik al na honderd meter uit het zicht verdwenen van de drinkende en zingende kring rond het vuur. Enkele uren vroeger, in helder daglicht, was er niets om me te verschuilen: de plantengroei hoogstens enkeldiep en rotspartijen vond ik er ook niet. Alleen afstand gaf hoop op enige privacy, tot er enkele Mongolen op hun paarden opdoken aan de horizon. Zij zagen mij hurken tussen de irissen en wijzigden hun parcours zodat ze, volgens hun etiquette, voldoende ver uit mijn buurt bleven om me onzichtbaar te kunnen verklaren. Ik zat daar, gegeneerd, tussen de bloemen, met het zakje voor het toiletpapier in een hand, de rol in de andere.

De volgende dag kondigt zich aan in zinderende kleuren: een rijzende Zon, die het Gewelf penseelt in alle kleuren van de regenboog. Voor ik met mijn slaapogen kan knipperen baadt de purperen vlakte in gouden licht, overkoepeld met egaal helder blauw.
Er is geen water om me te wassen, laat staan een douche! De aanwijzingen voor het vertrek indachtig, heb ik enkele pakken vochtige doekjes voor babybilletjes meegebracht Mijn handen ontsmet ik met gel, mijn tanden poets ik met tandpasta op zoutbasis. Doekjes, toiletpapier, alle afval die na vertrek op onze aanwezigheid zou kunnen duiden, nemen we mee. Dit is een ecologische reis.

Zonder enige aanwijzing, ergens in deze eindeloze vlakte, opent zich aan onze voeten een kloof met zicht op Jurassic Park. Mijn fantasie over brontosaurussen die in kuddes door dit land trekken is niet zo gek. Hoewel goed verborgen vonden ondernemende archeologen in deze godvergeten plaats de overblijfselen van allerlei sauriërs, die in de toen aanwezige moerassen zijn verdronken. De plaats heeft zelfs een museum. Daar vind ik naast enkele glazen kasten met plaatselijke flora en fauna, een opstelling over de dinosauriërs met versteende eieren en fragmenten van enorme skeletten. We naderen de zandduinen van de Gobi, ooit de paradijselijke stranden van een enorme binnenzee, de biotoop van de levende exemplaren uit het museum.

We racen in sneltreinvaart over de egaal gladde zandpiste recht naar ons doel. Door de bestofte voorruit van het busje zie ik hoe zich in de verte een gelige streep aftekent, daar waar blauw en paars elkaar raken. De race wordt afgeremd door slome kuddes kamelen die op hun hoge poten ronddwalen in de hete leegte. Langzaam krijgt de streep meer vorm en begint ze te schitteren in de felle middagzon, tot ze wordt omgetoverd tot zandduinen van wel achthonderd meter hoog. In de plaatselijke taal heten ze de zingende duinen. Marco Polo heeft hun lied gehoord en vermeld in zijn kronieken. Wij moeten het stellen zonder muziek.
Zodra het busje stopt, klap ik mijn tent uit en hoop op het rulle zand een zachter bed te vinden dan op de keiharde verdroogde modder van de vorige kampplaats.
Het is nog vroeg genoeg om nog even de duinen te verkennen en vooral om als een klein kind naar beneden te glijden op een van de afvalzakken, die we in ruime voorraad bij ons hebben. Het is laat in de namiddag en de wit-gele schittering van het zand lost op in roze en rood. Ik ploeter naar boven, mijn voeten zinken bij elke stap volledig weg in het zand. Het zweet gutst van mijn lijf, ik klauw met mijn handen op zoek naar steun. Ik wil daarboven staan en het zicht op het zandgebergte op me laten inwerken. De kracht van de zon begint te tanen, de schaduwen worden dieper, het klimmen wordt gemakkelijker. Eens ik boven aankom, tekent zich een onwaarschijnlijk, surrealistisch landschap voor mij af: rode bergen gescheiden door bijna zwarte dalen, erboven het Gewelf dat naar paars begint te neigen.

Ik keer me om, realiseer me dan dat ik lijd aan hoogtevrees, heel erge hoogtevrees en onder mij gaapt de leegte. De afvalzak hangt nutteloos aan mijn rugzak en ik versteen ter plaatse. Alleen de rustige stem van mijn vriendin kan me naar beneden praten. Met oneindig geduld leidt ze me de lange, lange weg terug, terwijl de anderen vrolijk op hun afvalzak naar beneden suizen.
Beneden wacht alweer een maaltijd van schapenvlees, uien, wortelen en aardappelen.

Als ik voor dag en dauw mijn hoofd naar buiten steek, staat een harige kamelenpoot op enkele centimeters van mijn neus. Iets verder zie ik dat een hele kudde kamelen het tentenkamp zonder slag of stoot heeft veroverd. De chauffeurs, die ondertussen ook wakker zijn, hebben weinig mededogen met de beesten en verjagen ze meteen met flink wat kabaal en wapperende handen. Stoïcijns hobbelen de kamelen weg naar rustiger oorden.

We reizen af naar Bulgan, een nederzetting in niemandsland. Zodra ik het dorp aan de horizon zie opdoemen, fladderen plastieken vlinders, wit, groen, geel, blauw tussen de irissen. De kleurrijke winkelzakjes van de lokale handelaars plaatsen een bom onder de gedachte dat dit een prehistorisch land zou zijn. Zelfs tot hier dringt onze maatschappij van plastiek door.
De nederzetting bestaat uit houten huizen aan zandige landwegen met centraal gelegen enkele duistere winkeltjes en een markt. Ook hier vervliegt de illusie van een ongerept land. De markt is opgebouwd met muren van roestige, afgedankte containers vol tweedehandskleren, -schoenen en -gereedschap en plastiek, veel plastiek. In het midden op wankele houten kraampjes of op zeildoek op de grond: aardappelen, uien, wortelen. Vlees en zuivel vinden we in de winkels in koelkasten, al is het niet helemaal zeker dat die ook koelen. In het dorp zie ik dat de moderne techniek hier toch is doorgedrongen: verhakkelde vrachtwagens, blinkende zware motoren, zonnepanelen, schotelantennes. Minnie Ho hoopt hier, in het midden van de 'beschaving' op connectie met de buitenwereld. Even komt er leven in het toestel tot het begint te knarsen als de roestige deuren van de containers en de verbinding weer wegvalt.
We brengen een bezoek aan de burgemeester, een visionair met meerdere universitaire titels. Hij heeft ervoor gekozen om terug te keren naar zijn dorp om daar verschillende ecologische teeltmethodes te testen. Hij heeft hiermee zo'n succes dat hij van de overschotten, die hij zelf niet gebruikt, conserven kan maken. Hij geeft zijn kennis over de beproefde methodes door aan familie, vrienden en buren die hierdoor grotere oogsten kunnen binnenhalen van andere groenten dan aardappelen, uien en wortelen.

Toch ben ik na het bezoek een illusie armer. Zelfs aan het eind van de beschaving vind je nog altijd haar uitwassen. Hoe lang duurt het nog voor de oergrond ook hier met beton is overgoten?

maandag 6 april 2015

Gobi


Ulaanbaatar komt net tot leven bij opgaande zon als het internationale gezelschap waarmee ik naar de Gobiwoestijn afreis, met slaapogen uit het toevluchtsoord aan het eind van de wereld druppelt. We reizen in een bizar busje van oerdegelijke Russische makelij, duf grijs van kleur, hoog op de wielen, zes zitplaatsen en een kleine bagageruimte; de jerrycans met water en benzine, de tenten en al het kampeergerei moeten op het dak. Het duurt even voor alle passagiers, tolk en chauffeurs hun plaats hebben gevonden. Slierten ochtendnevel kondigen frisjes een bloedhete dag aan.

Eindelijk is het zover. Op weg naar de Gobi, waar ooit Marco Polo op weg naar Peking zijn middeleeuwse avonturen beleefde, waar de zijdehandelaars door trokken om het gulzige antieke Rome van luxe stoffen te voorzien, waar Dzjengis Khan en zijn horden heersten. Ik heb iets met woestijnen en de Gobi is degene die het meest tot mijn verbeelding spreekt.

Aan de rand van de stad gaat het asfalt onherroepelijk over in zand; we rijden weg van de stad, weg van de westerse beschaving. De Mongoolse chauffeur oriënteert zich feilloos in een eindeloze vlakte die je naar de prehistorie katapulteert. Dieren, veel dieren, de meeste ongetemd, kleine, vinnige paarden, schapen, geiten, kamelen, jaks migreren gestaag, niet beperkt door omheiningen. Dit is een land zonder grenzen, groots onder het helblauwe Gewelf, dat de Mongolen als een van hun goden beschouwen. Geen enkele moderne dissonant verstoort het beeld. Het landschap wordt niet onderbroken door verticale lijnen, geen bomen, geen gebouwen, geen telefoon- of elektriciteitspalen.

Tegen de middag steekt een stevige wind op. Zand dat hier nog half bedekt wordt door het gras, stuift op in mini tornado's, die een venijnige aanval uitvoeren op mijn ogen, mijn neus, mijn mond. In open lucht eten is onmogelijk. We stoppen bij een tent, de tolk stapt uit en praat even met een vrouw die naar buiten komt. Even later komt ze ons halen en kunnen we binnen eten. In deze barre contreien gebiedt de gastvrijheid dat een reiziger te allen tijde onderdak kan vragen en krijgen en dan is een tolk echt geen overbodige luxe, want de nomaden kennen alleen Mongools. Stel je even voor dat in België een bus Japanse toeristen voor je deur stopt, aanbelt en vraagt om in je living te mogen lunchen. Ik voel me ongemakkelijk en niet op mijn plaats in de 'living' van de familie, die plaats maakt voor ons gezelschap. Wij installeren ons op de brede, comfortabele bedbanken. De steunpalen en het meubilair zijn traditioneel oranje gekleurd ter ere van een andere animistische godheid: de Zon. Wanneer we opstappen geven we de overgebleven boterhammen aan de vriendelijke familie. Zij kunnen maandenlang over ons bezoek vertellen aan hun buren, vrienden en kennissen.
Naarmate we verder naar het zuiden rijden, maakt de steppe plaats voor de echte woestijn. De meertjes worden kleiner en minder talrijk. Het is laat in de lente en er is na het afsmelten van de sneeuw, nog vocht genoeg in de bodem om heel de woestijn te bedekken met een orgie van bloemen, een korte periode van fertiliteit in een, de rest van het jaar, onvruchtbaar land. Zo ver het oog reikt is de woestijn paars gekleurd door de kleine inheemse versie van de iris.

Tegen zonsondergang bereiken we het kamp voor de nacht. Gelukkig hebben we iglotenten bij die zich bijna automatisch opzetten, want niet iedereen is een volleerde kampeerder. In het halfduister bereiden we een maaltijd die de eerstvolgende dagen niet veel variatie zal vertonen, hooguit een andere combinatie: schapenvlees, wortelen, uien en aardappelen.
Ik ervaar aan den lijve de eentonigheid van het leven van de Mongool. Hier begrijp ik dat enorme hoeveelheden airag, gefermenteerde en dus alcoholische paardenmelk, en wodka kunnen helpen om de verveling en het keiharde bestaan te vergeten. Ik, als westerse reiziger, wil ontsnappen aan de eeuwige ratrace en de betonnen muren om me heen als ik een land als Mongolië bezoek. De rust van de pure natuur heeft op mij een onweerstaanbare aantrekkingskracht maar de plaatselijke bevolking leeft hier in die natuur een onbarmhartig bestaan: in de winter alles bevriezende poolwinden, in de zomer vuurhete zandstormen. Daar moet je dan overleven in je vilten huis.

Voor ik de tent induik, is het tijd voor een sanitaire stop. Dat is een belevenis voor een westerling die deze handelingen graag achter een deur afhandelt. In de duisternis van de nacht ben ik al na honderd meter uit het zicht verdwenen van de drinkende en zingende kring rond het vuur. Overdag daarentegen is er niets om me te verschuilen, zeker geen huisje met een deur. De plantengroei is hoogstens enkeldiep en rotspartijen vind ik hier ook niet. Alleen afstand geeft hoop op enige privacy, tot er drie Mongolen op hun paarden opduiken aan de horizon. Zij zien een hurkende gedaante tussen de irissen en wijzigen hun parcours zodat ze, volgens hun etiquette, voldoende ver uit mijn buurt blijven om me onzichtbaar te kunnen verklaren. Ik zit daar, gegeneerd, tussen de bloemen, met het zakje voor het toiletpapier in een hand, de rol in de andere.

De volgende dag kondigt zich aan in zinderende kleuren: een bloedrode rijzende Zon, die het Gewelf penseelt in alle kleuren van de regenboog. Voor ik met mijn slaapogen kan knipperen baadt de purperen vlakte in gouden licht, overkoepeld met egaal helder blauw.
Er is geen water om me te wassen en een douche, vergeet het! De aanwijzingen voor het vertrek indachtig, heb ik enkele pakken vochtige doekjes voor babybilletjes meegebracht Mijn handen ontsmet ik met gel, mijn tanden poets ik met tandpasta op zoutbasis. Doekjes, toiletpapier, alle afval die na vertrek op onze aanwezigheid zou kunnen duiden, nemen we mee. Dit is een ecologische reis.



Zonder enige aanwijzing vooraf, ergens in deze eindeloze steppe, opent zich aan onze voeten een kloof met zicht op Jurassic Park. Mijn fantasie over brontosaurussen die in kuddes door dit land trekken is niet zo gek. Zo goed verborgen, en toch vonden ondernemende archeologen in deze godvergeten plaats de overblijfselen van allerlei sauriërs, die in de toen aanwezige moerassen zijn verdronken. De plaats heeft zelfs een museum. Daar vind ik naast enkele glazen kasten met plaatselijke flora en fauna, een opstelling over de dinosauriërs met versteende eieren en fragmenten van enorme skeletten. We naderen de zandduinen van de Gobi, ooit de paradijselijke stranden van een enorme binnenzee, de biotoop van de levende exemplaren uit het museum.

We racen in sneltreinvaart over de egaal gladde zandpiste recht naar ons doel. Door de bestofte voorruit van het busje zie ik hoe zich in de verte een gelige streep aftekent, daar waar blauw en paars elkaar raken. De race wordt afgeremd door slome kuddes kamelen die op hun hoge poten ronddwalen in de hete leegte. Langzaam krijgt de streep meer vorm en begint ze te schitteren in de felle middagzon, tot ze wordt omgetoverd tot zandduinen van wel achthonderd meter hoog. In de plaatselijke taal heten ze de zingende duinen, waarom is me een raadsel. Zodra het busje stopt, klap ik mijn tent uit en hoop op het rulle zand een zachter bed te vinden dan op de keiharde verdroogde modder op de vorige kampplaats.
Het is nog vroeg genoeg om nog even de duinen te verkennen en vooral om als een klein kind naar beneden te glijden op een van de afvalzakken, die we in ruime voorraad bij ons hebben. Het is laat in de namiddag en de wit-gele schittering van het zand lost op in roze en rood. Ik ploeter naar boven, de voeten bij iedere stap volledig wegzinkend in het zand. Het zweet gutst van mijn lijf, ik klauw mijn handen in het zand op zoek naar steun, want mijn voeten zakken telkens weer naar beneden. Ik wil daarboven staan en het zicht op het zandgebergte op me laten inwerken. De kracht van de zon begint te tanen, de schaduwen worden dieper, het klimmen wordt gemakkelijker. Eens ik boven aankom, tekent zich een onwaarschijnlijk, surrealistisch landschap voor mij af: rode bergen gescheiden door bijna zwarte dalen, erboven het Gewelf dat naar paars begint te neigen. Oneindig verdwijnend achter de horizon.

Ik keer me om en realiseer me dan dat ik lijd aan hoogtevrees, heel erge hoogtevrees en onder mij gaapt de leegte. De afvalzak hangt nutteloos aan mijn rugzak en ik versteen ter plaatse. Alleen de rustige stem van mijn vriendin kan me naar beneden praten: 'Draai je om, zodat je de berg ziet, zet nu je voet wat lager, zoek steun met je handen, andere voet wat lager, ja het gaat goed zo' Met oneindig geduld leidt ze me de lange, lange weg terug, terwijl de anderen vrolijk op hun afvalzak naar beneden suizen.
Beneden wacht alweer een maaltijd van schapenvlees, uien, wortelen en aardappelen. Daarna, de tent.

Als ik voor dag en dauw mijn hoofd naar buiten steek, staat een harige kamelenpoot op enkele centimeters van mijn neus. Iets verder zie ik dat een hele kudde kamelen het tentenkamp zonder slag of stoot heeft veroverd. De chauffeurs, die ondertussen ook wakker zijn, hebben weinig mededogen met de beesten en verjagen ze meteen met flink wat kabaal en wapperende handen. Stoïcijns hobbelen de kamelen weg naar rustiger oorden.

We reizen af naar Bulgan, een nederzetting in niemandsland. Zodra ik het dorp aan de horizon zie opdoemen, fladderen plastieken vlinders, wit, groen, geel, blauw tussen de irissen. De kleurrijke winkelzakjes van de lokale handelaars plaatsen een bom onder de gedachte dat dit een prehistorisch land zou zijn. Zelfs tot hier dringt de plastiek maatschappij door.
De nederzetting bestaat uit houten huizen aan zandige landwegen met centraal gelegen enkele duistere winkeltjes en een markt. Ook hier vervliegt de illusie van een ongerept land. De markt is opgebouwd met muren van roestige, afgedankte containers vol tweedehandskleren, -schoenen en -gereedschap en plastiek, veel plastiek. In het midden op wankele houten kraampjes of op zeildoek op de grond: aardappelen, uien, wortelen. Vlees en zuivel vind je in de winkels in koelkasten, al is het niet helemaal zeker dat die ook koelen. In het dorp zie je dat de moderne techniek hier toch is doorgedrongen: verhakkelde vrachtwagens, blinkende zware motoren, zonnepanelen, schotelantennes.
We brengen een bezoek aan de burgemeester, een visionair met meerdere universitaire titels. Hij heeft ervoor gekozen om terug te keren naar zijn dorp om daar verschillende ecologische teeltmethodes te testen. Hij heeft hiermee zo'n succes dat hij van de overschotten, die hij zelf niet gebruikt, conserven kan maken. Hij geeft zijn kennis over de beproefde methodes door aan familie, vrienden en buren die hierdoor grotere oogsten kunnen binnenhalen van andere groenten dan aardappelen, uien en wortelen.

Toch ben ik, na het bezoek aan dit dorp een illusie armer. Zelfs aan het eind van de beschaving, vind je nog altijd haar uitwassen. Hoe lang duurt het nog voor de oergrond ook hier met beton is overgoten?

vrijdag 19 december 2014

De pierlepad

Een nonsens sonnet met verplichte eerste zin: 'Er was een keer een pierlepad'

Er was een keer een pierlepad
Zo'n aak'lig beest, dat doet je wat
Zie die bulten en die wratten
Zo groot als nieuw' pattatten

Schele ogen, kromme poten
Een breedsmoelkikker in 't kwadraat
Hij doet een dansje uit de maat
en zingt zowaar met valse noten

De pierlepad heeft ook een neus
Het is een bult met zeven gaten
Hij brengt een mens in alle staten
Die pierlepad is zo curieus

Nooit zal een prinses om hem te sussen
De pierlepad tot prins omkussen.

dinsdag 9 december 2014

Reizen

Gedichtje gemaakt rond het werkwoord reizen.  Spielerei en zeker geen kunst met een grote K.

Reizen is over sporen razen
Reizen gidst het leven
Reizen is doornen van de rozen halen
Ik beken ik ben gek op reizen,
Want tijdens reizen hang ik aan een touw
Hoog boven het vertrouwde.

zaterdag 8 november 2014

Sluiers

Kramen volgepakt met kleurrijke stoffen, geurende kruiden, kamelen, ezels, schapen, schreeuwende marktkramers: marktdag in Timboektoe. Door het opgewaaide rode woestijnstof hult het hele tafereel zich in een rozig waas. De grote moskee domineert de ene helft van het zon geblakerde plein met haar organisch gevormde adobemuren en haar torens doorpriemd met boomstammen.
Aan de overkant van het plein, onder de gestreepte luifel van een terras, zit een bebaarde westerling met de indigoblauwe tulband van de Toeareg. Alhoewel zijn koffiekopje bijna leeg is, maakt hij toch geen aanstalten om te vertrekken. Terwijl hij wacht, overdenkt hij de drie maanden die hij hier heeft gewerkt voor Artsen Zonder Grenzen. De eerste weken brachten hem van zijn stuk, overrompelden hem met de kracht van een vuistslag: Timboektoe, kruispunt van oude karavaanroutes, stoffig, gloeiend heet, smeltkroes. Nu, na drie maanden, groeit deze fascinerende plaats stilaan uit tot zijn thuis. Hij heeft vrienden gemaakt en nu doet een van die nieuwe vrienden beroep op hem. Hij leest de brief nog eens door, die hij vanmorgen ongefrankeerd in zijn brievenbus heeft gevonden.

Geachte vriend van Tina,
U kent me niet maar Tina spreekt zo dikwijls over uw engagement en medeleven, dat ik hoop dat u me kan en wil helpen.
Het is een lang verhaal dat twintig jaar geleden begon, toen zuster Clementina en ik als missiezusters naar hier kwamen om in het hospitaal van de missie te werken. Op een dag, een jaar of twee later, verzorgden we een jonge Malinese vrouw, die enkele maanden in het ziekenhuis heeft gelegen. Haar broer Sénou, kwam dagelijks op bezoek. We praatten heel wat af aan het ziekbed van Coura, zodat Sénou en ik een nauwe band smeedden. Hij was een vriendelijke, zachtaardige man die ik hoe langer hoe meer leerde waarderen tot ik op een dag besefte dat ik zoveel van hem hield, dat ik moest uittreden. Dat was geen gemakkelijke keuze, want als je kloosterlinge wordt, is dat een verbintenis voor het leven en die verbreek je niet zomaar omdat je verliefd wordt. Bovendien was en is Sénou een moslim, maar hij deed niet moeilijk en was niet fanatiek in zijn geloof.
Uiteindelijk trouwde ik met hem en na een jaar werd onze prachtige dochter, Isabelle, geboren. De eerste jaren van ons huwelijk waren als een sprookje voor mij, maar na de moeilijke geboorte van Isabelle kon ik geen kinderen meer krijgen en Sénou wou ook graag een zoon. Stilaan groeide er een afstand tussen ons. Mijn man kwam hoe langer hoe meer onder de invloed van radicale vrienden en hij zette mij onder druk om ook moslim te worden. Uiteindelijk bekeerde ik me met de illusie dat alles dan weer goed zou komen. Maar het kwam niet goed en ik ging meer en meer gesluierd door het leven. Sénou trouwde op aanraden van zijn vrienden met een tweede, een derde, een vierde vrouw in de hoop op een zoon. Alles slikte ik omdat ik nog altijd dol was op mijn man. Maar nu is de maat vol: het lijkt of ik niet meer voor hem besta, maar hij controleert alles wat ik doe. Ik loop de hele tijd gesluierd rond en ik mag alleen op straat als er een mannelijk familielid bij me is. En nu wil hij Isabelle op haar zeventiende uithuwelijken aan één van zijn vrienden. Ik wil met Isabelle naar Europa vluchten omdat ik haar een liefdeloos huwelijk met een oude man wil besparen.
Ik ben ten einde raad want mijn reispas is al lang niet meer geldig en Isabelle is nooit buiten Mali geweest. Mijn familie heeft met me gebroken toen ik met Sénou trouwde. Ik weet niet hoe ik het vliegtuig moet betalen. Er zijn duizend-en-een obstakels op mijn weg naar Europa, maar het MOET op een of andere manier lukken, voor het geluk van mijn kind.
Uw toegenegen Fatima (zuster Constance)

Van tussen het gewoel bemerkt hij de grijze sluier van zuster Clementina. Hij bestelt nog een koffie voor zichzelf en een muntthee voor de zuster.
Dag, Paul. Blij dat ik even met je kan praten” begroet ze hem. Tina gaat zitten, nipt voorzichtig aan de gloeiend hete thee.
Ik ben helemaal niet blij, Tina” zegt Paul, “weet jij iets over de brief die ik vanmorgen in de bus heb gevonden? Een brief van Fatima”
Nee, Paul, ik wist niet dat ze jou een brief zou schrijven. Ik heb haar over jou verteld, over het goede werk dat je al hebt gedaan, over je engagement om de mensen hier te helpen, over je medeleven. Je hebt het ziekenhuis op die korte tijd zo kordaat in handen genomen. Ik bewonder je organisatietalent, Paul.”
Dat kan wel zijn, Tina, maar door jouw verhalen aan Fatima, heb je mij in een moeilijk parket gebracht. Ze denkt dat ik zomaar even al die obstakels kan wegwerken. Ik ben hier amper drie maanden geleden aangekomen en begin nu pas echt te functioneren.”
Maar, Paul, ze lijdt hier echt onder. Ze is tot alles in staat om Isabelle hier vandaan te krijgen” probeert ze hem te overhalen.
Ik zie dit echt niet zitten, Tina. Ik ben geen ridder op een wit paard die op commando gesluierde ex-missiezusters komt redden. Ik ben hier om als dokter mijn werk te doen: mensen genezen en het ziekenhuis leiden. Daar heb ik werk genoeg mee”
Toe nu, Paul, ik ken niemand beter dan jij om dit tot een goed einde te brengen.” Ze dept haar ogen met een papieren zakdoekje. “Constance is mijn beste vriendin, ik wil haar helpen, maar ik kan dit niet alleen. Toe, nu Paul, help me om haar terug naar Europa te laten gaan” smeekt ze hem, haar ogen versluierd door nieuwe tranen.
En als er iets is waartegen Paul geen verhaal heeft: vrouwentranen!
Goed dan” geeft hij toe. “Ik help je.”
Paul, je bent een schat.” Dankbaar neemt Tina zijn handen in de hare en drukt er vlug een kus op. Haar ogen stralen als ze afscheid neemt.
Paul bestelt nog een koffie, ziet het grijs gesluierde hoofd van Tina in de drukte verdwijnen en heeft al spijt van zijn belofte. Waarom moet uitgerekend hij hier de held gaan uithangen?
Enkele weken later, ver na middernacht, wacht hij naast zijn zwarte terreinwagen op de vluchtelingen. Het is een inktzwarte maanloze nacht. Miljoenen sterren twinkelen rond de oplichtende sluier van de Melkweg.
Plots staan ze naast hem, twee mummieachtige figuren, onherkenbaar onder de zwarte sluiers die hun vlucht moeten verbergen.
Bagage?” vraagt hij. Ze stoppen hem twee kleine tassen in de handen en verdwijnen als bange muisjes op de achterbank van de auto. Tijdens de rit naar de ambassade zitten de twee vrouwen stilletjes bij mekaar, nog altijd gesluierd, alsof ze het niet vertrouwen.
De poort van de ambassade opent automatisch. Felle lampen flitsen aan en de vrouw van de ambassadeur komt persoonlijk naar hen toe op het bordes. Dan pas durven Constance en Isabelle hun sluiers losmaken. Paul kan zijn ogen niet geloven als Constance zich naar hem toe wendt en hij Stanske, het buurmeisje uit zijn jeugd herkent in het getaande, gerimpelde gezicht dat hem dankbaar aankijkt.
De volgende dag zit hij weer met zijn koffie op het terras op het plein en mijmert over de dolle sprongen die het lot soms maakt.
In de strakblauwe lucht trekt een vliegtuig een sluier van condens. Hij heft het kopje koffie in een stille groet. Het ga je goed Stanske. Blij dat ik je kon helpen.

dinsdag 7 oktober 2014

De parabel van de monnik en de dieren

Resultaat van de eerste echte opdracht:

Er was eens, in het verre China, een monnik die jarenlang in een pikdonkere grot, diep binnenin een berg mediteerde. Honderd en acht keer prevelde hij de mantra 'Gaya reya, gaya reya, gaya reya', tot hij mettertijd voeling kreeg met het innerlijk van de berg, maar ook met alles dat door de berg in leven werd gehouden: de planten, de dieren, het water, de mineralen. Na al die jaren van meditatie kende hij de berg en sprak hij ermee.
Op een dag voelde hij dat het tijd was om te gaan, terug naar het licht, terug naar de mensen. De berg had hem een taak toegewezen die hij eerst moest volbrengen voor hij zijn plaats in het klooster weer kon innemen. Het zou geen gemakkelijke tocht worden, wist hij.
Verrassend soepel, na al die jaren, strekte hij zijn oude benen, zijn armen, zijn rug. Hij rechtte de schouders en stapte doelbewust naar de uitgang, naar het licht, naar buiten. Daar scheen de volle maan door de bomen, zodat hij niet verblind werd na zo'n lang verblijf in de duisternis. Zittend op een boomstronk genoot hij van de nachtelijke koelte en van de met bosgeuren doordrongen bries.
Weldra vielen de eerste zonnestralen in vlekken op de versleten oranje vodden die zijn lijf enigszins bedekten.
Plots hoorde hij geritsel onder het bosje varens naast hem, waar een kopje van een hagedis schichtig onderuit piepte. Hij kende het dier. Tijdens zijn verblijf in de grot had hij het weten geboren worden, hij had ermee van gedachten gewisseld, toen het opgroeide. Hij wist dat de hagedis doodongelukkig was en jaloers op al wie bovenop de berg leefde. De hagedis wou immers blakeren in de zon, zijn bloed doen opwarmen zodat hij genoeg energie zou krijgen om als een bliksemschicht over en weer te schieten. Alleen dan kon hij genoeg insecten te pakken krijgen om te overleven. In het bos kreeg de hagedis niet genoeg zon, zodat hij bijna verhongerde.
De monnik nam de hagedis voorzichtig van onder de varens en stopte hem in zijn ransel. Daarna begon hij aan een moeizame tocht naar de top van de berg: eerst door ruisende bamboebossen, later tussen de hoogstammige, donkere pijnbomen. Het pad was moeilijk begaanbaar, maar de monnik genoot van de zingende vogels, de weelderige plantengroei, het geklater van bergbeekjes. Zijn voeten bloedden door de scherpe rotsen op het pad, maar hij merkte het niet. Zijn mantra 'Gaya reya, gaya reya, gaya reya' trilde door zijn lijf en maakte het gevoelloos,
Dicht bij de top van de berg, voorbij het lage struikgewas, voorbij de grazige bergweiden, ging hij zitten. Hij haalde de hagedis uit zijn ransel en zette hem voorzichtig op een rotsblok in de hete middagzon. De monnik vergleed weer in meditatie zodat hij met de hagedis van gedachten kon wisselen. Te warm, te veel licht. De hagedis werd niet gelukkiger. Dus stopte de monnik hem weer in de ransel.
Plots piepte het kopje van een marmot uit een opening tussen de rotsen. Ha, dacht de monnik, die is ook niet gelukkig. Ook de marmot kende hij van bij zijn geboorte. Met zijn dikke pels kon hij de winterkou goed verdragen, maar de zon was hem veel te heet. Bovendien kon hij zijn knaagtanden niet in lekker sappige wortels en takjes zetten. Hier, boven op de berg, groeiden alleen wat taaie, droge plantjes tussen de rotsen, zodat hij bijna stierf van de honger.
De marmot kwam bedeesd naar de monnik toe die hem voorzichtig vastnam en hem op zijn beurt in de ransel stopte, waarna hij de tocht naar beneden aanvatte.
Telkens als hij een plekje vond waar de hagedis en de marmot zich gelukkig zouden kunnen voelen, haalde hij hen uit de ransel. Niets was er goed genoeg voor hen. En daar bleef het niet bij. Voor de monnik halverwege was, kwamen overal dieren vandaan, die zich niet goed voelden op de berg. Ze zeurden en ze morden en waren met niets tevreden. Met de moed der wanhoop scandeerde hij de mantra 'Gaya reya, gaya reya, gaya reya' in de hoop een oplossing te vinden voor zijn probleem.
De monnik wist al in het begin van zijn tocht dat hij voor een moeilijke taak stond, maar hij kon toen niet vermoeden dat hij zoveel dieren achter zich aan zou krijgen. Wat moest hij met die meute aanvangen?
Onderaan de berg gekomen, passeerde hij de grot die hem zo lang beschutting had geboden. Ik ga nog even naar binnen, dacht hij en hoopte daarmee een oplossing te vinden. Hij zat weer op zijn vertrouwde plekje in het donker en vroeg aan de berg waarom al die dieren zo graag weg wilden. Waarom ze toch zo ongelukkig waren. En de berg fluisterde hem in dat al die mopperpotten zijn rust verstoorden. Hij wist niet wat er met de dieren aan de hand was, maar jaloezie en onvrede verspreidden zich als een lopend vuurtje en hij, de berg, wilde hen niet meer. Neem ze maar mee, die onruststokers, zodat ik van ze verlost ben. 'Gaya reya, gaya reya, gaya reya' mompelde de monnik honderd en acht keer en toen kwam de ingeving.
Eenmaal weer uit de grot overzag de monnik de honderden wachtende dieren en zuchtte bij de gedachte dat hij op pad moest met al die ontevreden beesten. Hij wou echter zijn taak tot een goed einde brengen zodat hij hen uitnodigde om hem te volgen.
Niet ver bij de berg vandaan lag het klooster dat hij zoveel jaren geleden vaarwel had gezegd. Hij bewonderde de prachtige tuin die door de monniken met veel liefde en respect voor de natuur werd verzorgd. Genietend wandelde hij rustig tussen de kunstig gesnoeide bomen naar de inkompoort. Achter zich hoorde hij de dieren die vol bewondering de tuin betraden, die stil werden van de betoverende schoonheid en de rust die de tuin uitademde.
IJl klonken de belletjes doorheen het klooster en plots werd het heel druk.
Alle monniken liepen naar hem toe. 'Leef je nog? Wat breng je daar mee? Wat moeten we hier doen met al die dieren?' hoorde hij hen vragen.
'Al die dieren voelden zich ongelukkig op de berg waar ik mediteerde. Ik stel voor dat ze hier bij de tempel blijven en dat we ze met z'n allen verzorgen en hen helpen om gelukkig te worden' De monniken begonnen de uitgeputte, half verhongerde dieren te verzorgen en al heel vlug vonden ze hun plaatsje in de bijzondere tuin.
Het verhaal van de ongewone dierentuin deed wijd en zijd de ronde en al gauw kwamen de pelgrims van heinde en verre naar het klooster, waar mens en dier nog lang en gelukkig samenleefden.